de (opnieuw) politiek

‘Het is dus niet gebeurd, en dat is voor ons het belangrijkste’, aldus PVV-Kamerlid André Elissen.

Demonstranten verbranden pop Wilders bij protest in Afghanistan tegen Fitna

Het is weer raak. Afgelopen maandag onthulde de Humanistische Omroep in de documentaire ‘Het Proces Wilders‘ dat toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen in 2008 de AIVD wilde inschakelen om Geert Wilders te laten volgen en zo meer te weten te komen over de inhoud van de toen nog te verschijnen film Fitna. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Guusje ter Horst, liet de documentairemakers overigens weten dat de AIVD niet is ingezet.

Mag een minister, zich zorgen makend over de Nederlandse belangen in het buitenland,  de gedachte op laten komen de AIVD hiervoor aan het werk te zetten? Minister Ter Horst ging destijds niet akkoord, maar had eventueel op grond van artikel 6 ook wel akkoord kunnen gaan. De vraag was immers of Wilders plannen, zeker gezien de eerdere internationale reacties op de Deense cartoons, niet  het ernstige vermoeden opleverden dat zij een gevaar vormden voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat. En moet je om die vraag te echt goed te kunnen beantwoorden de inhoud niet kennen?

Of het spoeddebat dat vandaag is aangevraagd de kwestie gaat verhelderen is maar zeer de vraag. Op de website van Elsevier legt PvdA Tweedekamerlid Jeroen Recourt uit wat hij van de kwestie vind: “Het moet uitgesloten zijn dat de inlichtingendiensten leden van de Staten-Generaal afluisteren of volgen. Daarnaast vind ik dat de bemoeienis van bewindspersonen met dergelijke opdrachten ongewenst is.”

De laatste opmerking snijdt natuurlijk hout. Een inlichtingendienst kan beter zelfstandig van de bewindspersonen gevaren inschatten. Het dossier Irak laat zien wat er anders gebeurd. Enigszins genuanceerder ligt het toch wel met de eerste opmerking van Recourt. Het is geen simpele kwestie, want de angst van politici voor een machtige geheime dienst die hen onder de knoet houdt kennen we maar al te goed uit landen waar we zelf ook liever niet vertoeven. Omgekeerd moeten we de ogen ook niet sluiten voor malafide praktijken, politiek infiltraties en manipulaties binnen de politiek. Recent was er nog een voorbeeld in Nederland toen bleek dat een kandidaat van de PVV voor de Tweede Kamerverkieizngen, Gidi Markuszower , een risico zou  hebben gevormd voor de integriteit van Nederland  en betrokken zou zijn geweest bij een organisatie die informatie heeft overgedragen aan een buitenlandse mogendheid. Informatie die afkomstig was van de AIVD.

Voor die kandidaat-Kamerleden bestaat er al sinds 1993 beleid, recent weer aangescherpt na debat in de Tweede Kamer. De regeling is heel helder en duidelijk. De eigen verantwoordelijkheid van de betrokken partij staat voorop. Als daar voldoende aanwijzingen uit komen dat de integriteit een gevaar loopt dan wordt er door de AIVD eerst naslag gedaan. Pas als daaruit, in combinatie met de door de partij aangeleverde gegevens blijkt, dat dit aanleiding geeft tot het ernstige vermoeden dat het betrokken kandidaat Kamerlid een gevaar vormt voor de democratische rechtsorde, de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, dan kan de AIVD op grond van zijn a-taak een onderzoek instellen. Uit de kwestie Markuszower blijkt dat dus af en toe nodig te zijn. Bij de laatste aanpassing van deze regeling is vastgelegd dat de AIVD de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten informeert indien er informatie wordt vertrekt aan een politieke partij binnen dit kader.

Eenzelfde  regeling zou natuurlijk van toepassing kunnen worden op alle democratisch gekozen leden van het parlement, provinciale staten en de gemeenteraden. Want laten we wel wezen, waarom zouden zij uitgesloten moeten zijn van onderzoek door de AIVD als er voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6 WIV 2002? Het is inmiddels bijna 20 jaar gelden, maar de AIVD berichtte middels een ambtsbericht dat de toenmalige fractievoorzitter van de VVD van stadsdeel Oost in Amsterdam, actief en bewust betrokken was bij het helen van illegaal gegenereerde gelden.

Als je. zoals Recourt stelt, onderzoek naar leden van de Staten Generaal door de AIVD uitsluit, dan mis je dus mogelijke gevallen van infiltratie, of door vreemde mogendheden (Markuszower) of door georganiseerde misdaad (Rieske). Als de CTIVD, net als bij kandidaten voor de Tweede Kamer in ieder geval iedere keer op de hoogte wordt gesteld, voorkom je een mogelijke ongebreidelde macht van de AIVD.

Hoe je ook wendt of keert is er rondom het uitkomen van Wilders film Fitna door de verantwoordelijken niet fout gehandeld. Uit gesprekken met Wilders zelf wisten die al lang wat de inhoud van de film ongeveer zou zijn en was het ook mogelijk de juiste maatregelen te treffen. Gelukkig was Maxime Verhagen van het buitenland en niet van het binnenland.

de politiek

“Oei”, zegt AIVD-woordvoerder Sander van Dam. Dat soort verzoeken zijn niet gebruikelijk. “Wij willen niet alle kandidatenlijsten naslaan”, benadrukt hij. Dan zou de AIVD een “te grote rol” krijgen in een democratie. “Er moet eerst een indicatie zijn voor een gevaar voor de integriteit van het openbaar bestuur.”

Van Dam wijst erop dat zijn dienst een “strak afgebakende rol” heeft, waarvan de bevoegdheden “tot achter de komma” geregeld zijn. Op eigen initiatief zal de dienst daarom geen onderzoek instellen. “We mogen niet eens naslag doen op internet.” Dan zou de dienst zich immers al ‘actief’ opstellen richting de politiek. “De partijvoorzitter is zelf verantwoordelijk voor de screening.”
NRC Handelsblad 12 november 2010

Toch blijkt het weer anders te liggen , zelfs dan we al eerder hier publiceerden.
Terwijl er helemaal niet om gevraagd werd geeft de minister toch antwoord. Bijzonder, want in de Kamervragen van Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren van 15 februari betrof het een geval van infiltratie in de Engelse milieubeweging.

Toch meld de minister: Voorts kan ik u melden dat wanneer de AIVD onderzoek zou doen naar een (kandidaat-)kamerlid omdat er aanleiding is tot het ernstige vermoeden dat deze persoon een gevaar vormt voor de democratische rechtsorde, de veiligheid van de staat of voor andere gewichtige belangen van de staat, hierover de voorzitter van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten geïnformeerd wordt. Deze werkwijze is door mij in september 2010 ook per brief medegedeeld aan de voorzitters van de in de Tweede Kamer vertegenwoordigde politieke partijen.

Volgens Sander van Dam, woordvoerder van de AIVD, worden hier twee zaken door elkaar gehaald en een tegenstelling gesuggereerd die er niet zou zijn.

Die tegenstelling is er inderdaad niet, maar de verwijzing naar het oude artikel maakt wellicht toch meer duidelijk wat hier het punt is, namelijk de verandering van werkwijze waarbij de voorzitter van de CTIVD wordt ingelicht. Dit was in het verleden niet zo.

het offensief

De AIVD ontwikkelt een zogenoemde Forward Defense strategie, inhoudende dat de AIVD, ook vanuit de binnenlandse veiligheidstaak, op offensieve en innovatieve wijze, in een zo vroeg mogelijk stadium actief wil anticiperen op (mogelijke) dreigingen teneinde deze in een zo vroeg mogelijk stadium actief te kunnen (laten) voorkomen of reduceren.

De jaarplannen van de AIVD zijn over het algemeen niet te uitgesproken. Stel je voor een inlichtingendienst die de rest van de wereld laat weten waar de pijlen het komend jaar op worden gericht. Not done!
Maar dit jaar zowaar toch een jaarplan voor 2011 dat de moeite van het bestuderen waard is. Het onderdeel dat de moeite waard is nader te beschouwen is het in juli vorig jaar  geintroduceerde  concept ‘ Forward Defense’ dat in het jaarplan een prominente plaats inneemt en nader ingevuld wordt door de AIVD.

In juli 2009 legde de dienst heel summier op haar website uit wat er wordt verstaan onder ‘forward defense’:  “Forward defence betekent dat de AIVD dreigingen in het buitenland zichtbaar maakt en zo dus nog eerder risico’s voor de nationale veiligheid onderkent.

In het jaarplan dat nu aangeboden is aan de Tweede Kamer is het concept inmiddels verder uitgewerkt. Letterlijk meld de AIVD dat “de AIVD  een zogenoemde Forward Defense strategie ontwikkelt, inhoudende dat de AIVD, ook vanuit de binnenlandse veiligheidstaak, op offensieve en innovatieve wijze, in een zo vroeg mogelijk stadium actief wil anticiperen op (mogelijke) dreigingen teneinde deze in een zo vroeg mogelijk stadium actief te kunnen (laten) voorkomen of reduceren“.

Inhoudelijk een fikse verschuiving ten opzichte van de beschrijving uit 2009. De AIVD sprak toen nog van ‘het zichtbaar maken van dreigingen’, terwijl het nu spreekt van ‘ in een zo vroeg mogelijk stadium anticiperen op mogelijke dreigingen’. Waar het in 2009 nog ging om ‘het onderkennen van risico’s voor de nationale veiligheid’ is de inzet verschoven naar ‘de dreigingen in een zo vroeg mogelijk stadium actief te kunnen (laten) voorkomen of reduceren.

Een  offensieve inlichtingendienst

In de praktijk zal de nieuwe strategie hoofdzakelijk worden toegepast bij de bestrijding van terrorisme. De AIVD schrijft daarover dat ‘ de dienst in 2011 met prioriteit werken aan een (verdere uitbouw van) een eigen hoogwaardige inlichtingenpositie met betrekking tot personen en organisaties in Nederland én het buitenland die een concrete of zeer voorstelbare jihadistisch-terroristische dreiging vormen voor Nederland of Nederlandse belangen elders’.

De landen waar de AIVD zijn inlichtingenpositie op jihadistische netwerken wenst uit te breiden zijn onder andere Afghanistan/Pakistan grensregio, Jemen, Hoorn van Afrika en Noord -Afrika. Infiltratie in deze jihadische netwerken lijkt onbegonnen werk. De AIVD schrijft dan ook dat de inzet van Signal Intelligence (SIGINT) in dit geval van cruciaal belang is.

De offensieve strategie komt vervolgens tot uitdrukking in het vervolg op de inlichtingen die middel SIGINT operaties zijn verworven. ‘De AIVD zal de Nederlandse autoriteiten van handelingsperpectieven voorzien ten behoeve van het treffen van maatregelen die tot doel hebben de risico’s en dreigingen die uitgaan van exogeen jihadistisch terrorisme richting Nederland of Nederlandse belangen elders, te reduceren’. Er zal daarbij nauw worden samengewerkt met relevante collegadiensten.

De zaak Bünyamin E.

Het lijkt tamelijk abstract, zo’n offensieve  ‘Forward Defense’ strategie, maar geprojecteerd op de alledaagse realiteit wordt de strategie wellicht duidelijker. Gezien de landen waar de AIVD zich op richt is samenwerking met de inlichtingendiensten uit de VS onvermijdelijk. Zij richtten zich immers bij uitstek zich op dezelfde netwerken.
Een ander land waar mee samengewerkt zal worden is Duitsland. Nu de missie in Afghanistan door gaat zal dat zeker intensiveren. Bovendien kampt Duitsland als geen ander Europees land met dezelfde dreiging die de AIVD constateert.

De offensieve strategie van de AIVD heeft nog geen gezicht, de Duits-Amerikaanse wel: Bünyamin E., een Duitse jongen van Turkse afkomst van 20 jaar.  Bünyamin E. was het slachtoffer van een offensieve inlichtingen strategie met handelingsperspectief, precies zoals de AIVD nu uitzet voor de komende jaren. Het verhaal kwam naar boven toen in een regionale krant in Duitsland een advertentie stond met de tekst: “In zijn zoektocht naar een gelovig leven, werd Benjamin (Bünyamin) begin oktober  door een Drone getroffen in Pakistan”.

Al snel bleek dat Bünyamin E. op 4 oktober 2010 was omgekomen bij een aanval door een drone van de VS op een huis waar hij verbleef in Mir Ali, Noord  Waziristan, Pakistan. Bij de aanval kwamen ook de uit Hamburg afkomstige Shahab D. om en enkele personen afkomstig uit Centraal Azie.
Hoewel er in diverse media geschreven werd over de aanval en de Duitse jongens die erbij waren getroffen bleeef het van de kant van de regering stil. Te stil vonden de politieke partijen “Die Linke” en “Die Grünen”, maar vragen die ze stelden in het Duitse parlement bleven grotendeels onbeantwoord. De regering beriep zich voornamelijk op geheimhoudingsplicht in het belang van de nationale veiligheid.

Geheel op de achtergrond was de Duitse justitie ondertussen toch aan de slag gegaan. De wet schrijft immers voor dat er een gerechtelijk onderzoek uitgevoerd moet worden als Duitse staatsburgers in het buitenland onder verdachte omstandigheden omkomen. De Hamburgse rechter-commissaris Sven Axel Dubitscher diende een klacht in tegen de baas van de CIA: Leon Panetta. De zaak werd overgenomen door Wupertahl, waar Bünyamin E woonachtig was. Tegelijkertijd ging ook de procureur-generaal uit Karlsruhe aan het werk. Hij vermoedde dat in dit geval ook het internationale strafrecht is overtreden. Ten slotte voegde ook rechter Thomas Schulte-Kellinghaus zich bij de aanklagers. Hij is een van de hoogste rechters in Duitsland verbonden aan het Oberlandesgericht.

Thomas Schulte-Kellinghaus onderzoekt de rol die de Bundes Criminal Ambt gespeeld heeft bij de drone aanval op de Duitse jongens. Heeft de BKA informatie doorgegeven aan de CIA, is er op enige andere wijze samengewerkt? Schulte-Kellinghaus wil het graag weten en heeft een onderzoek ingesteld naar het hoofd van de BKA, Jörg Ziercke.

Eigenlijk zou het vreemd zijn als de Duitse diensten  geen informatie verzamelden over Bünyamin E. Al in september 2009 doken de eerste berichten op over een grote groep Duitse Jihadi’s in Pakistan. Ze zouden verblijven in Waziristan en getraind worden door Islamic Movement of Uzbekistan.Inlichtingen vergaren over dergelijke netwerken is een must.

Justified Defense?

Maar, en daar komt de offensieve ‘forward defense’ strategie om de hoek kijken, als het nu niet bij inlichtingen verzamelen alleen is gebleven. Als de Duitse diensten hun informatie inderdaad deelden met de VS, met het doel hen middels een drone aanval uit te schakelen, is het international recht dan inderdaad niet geschonden?

Philip Alston, professor recht aan de Universiteit van New York, onderzocht de rechtmatigheid van het inzetten van de drones door de VS. In zijn rapport, dat was gericht aan de UN General Assembly’s Human Rights Council komt Alston tot de conclusie dat het inzetten van de drones een hoop volkenrechtelijke vragen oproept: bij welk soort conflicten is het gericht uitschakelen gerechtvaardigd, is gericht uitschakelen toelaatbaar voor alle verdachte terroristen, of is er onderscheidt, zijn de aanvallen precies genoeg om onschuldige slachtoffers te voorkomen, zijn de aanvallen proportioneel, is er voldoende openheid over de procedure waarin besloten wordt iemand gericht uit te schakelen?
Philip Alston concludeert dat de inzet van de drones, zoals deze momenteel plaats vindt de grensen van het internationale recht overschrijden.

In Nederland is er tot op heden geen discussie geweest over de nieuwe AIVD strategie. De ‘Forward Defense’ strategie werd gebracht en aanvaard als een logische stap in de bestrijding van het terrorisme. Nu de AIVD echter zo duidelijk de ‘defense’-strategie omzet in een ‘offensive’-strategie, een strategie die zomaar kan leiden tot een Nederlandse Bünyamin E. zou een discussie over deze koerswijziging wel op zijn plaats zijn.